Johanneke van \'t Land
01-11-2009
Aan de zevenjarige Tim wordt gevraagd waarom Simon zijn beste vriend is. Tim antwoordt: 'Omdat hij mijn vriend is en omdat we altijd samen spelen.' Dit antwoord lijkt in de eerste instantie zeer simpel, maar voor wie er langer over nadenkt kan het vragen oproepen. Wat is het precies dat Tim zo aanspreekt in Simon en zal dit anders worden naarmate de kinderen opgroeien?
Kindervriendschappen zijn, net als die van volwassenen, voor een groot deel gebaseerd op verwachtingen. De onderzoekers Bigelow en La Gaipa (Hetherington & Parke, 1993) onderzochten deze verwachtingen bij 960 kinderen in de leeftijd van 6 tot 14 jaar. Zij vroegen hen een opstel te schrijven over de verwachtingen die de kinderen van hun beste vrienden hadden. Uit de opstellen bleek dat kinderen in verschillende leeftijden wel degelijk andere verwachtingen van hun vrienden hebben. Bigelow en La Gaipa maakten aan de hand van deze resultaten een schema,licht gebaseerd op het model van Kohlberg, waaruit blijkt dat de verwachtingen van vriendschappen in drie verschillende stadia verloopt. Het eerste is het zogenoemde ‘voor-wat-hoort-wat-stadium', de fase waarin kinderen van zeven en acht jaar zich bevinden. In deze fase zijn de vriendschappen voornamelijk gebaseerd op gemeenschappelijke activiteiten en fysieke nabijheid. De negen en tienjarigen zitten in het normatieve stadium, waarin vooral gelijkheid een belangrijke rol speelt. Hierbij moet worden gedacht aan een gelijke houding tegenover regels, normen en waarden. Het empathisch stadium is de laatste fase, waarin kinderen van elf en twaalf jaar zich bevinden. Hierin zijn verwachtingen als wederzijds begrip, jezelf kunnen zijn en gedeelde interesses erg belangrijk.
Uit eigen onderzoek blijkt dat lang niet alle kinderen zich in het stadium bevinden in welke ze zich horen te bevinden volgens het schema van Bigelow en La Gaipa. In groep vijf bevindt 67 procent van de kinderen zich in de bijbehorende fase, het ‘voor-wat-hoort-wat' stadium. De rest van de kinderen heeft zich al naar het normatieve stadium ontwikkeld. In ditzelfde stadium zit 92 procent van de kinderen uit groep zes evenals 64 procent van de kinderen uit groep zeven. De rest van beide klassen, respectievelijk 8 en 36 procent, bevindt zich in de empathische fase en is dus de rest van zijn klasgenoten een stapje vooruit wat verwachtingen van vriendschappen betreft. Opvallend detail is dat meer meisjes dan jongens zich al in het empathisch stadium bevinden.
Tim zou, gezien zijn leeftijd, zich in het eerste stadium bevinden. Dit is ook terug te zien in zijn antwoord op de vraag waarom Simon zijn vriend is. Tim verwacht van zijn vriendjes niets meer dan dat ze met hem spelen en zal zich hoogstwaarschijnlijk, bij afwezigheid van Simon, ook kunnen vermaken met een ander kind. Met de theorie van Bigelow en La Gaipa bij de hand kunnen we ook voorspellen dat de vriendschappen van Tim zullen veranderen op basis van zijn verwachtingen. Hiermee kunnen we tot de conclusie komen dat de verwachtingen van kinderen van vriendschap zich ontwikkelen en complexer worden naarmate kinderen ouder worden.
Literatuur
Hetherington, E. Mavis, Parke, Ross D. (1993). Child psychology: A contemporary viewpoint (4th ed.). United States of America: McGraw-Hill, inc.