Nieuws

Taal jij ook naar rekenen of reken jij op taal?

Woensdag 7 april 2010.
Als ik rond half elf naar het lokaal van de academische studenten loop, kan ik de spanning bijna voelen: vanmiddag is het symposium en iedereen zal een workshop verzorgen. Rond het lokaal bruist het van de activiteiten. Sommigen nemen de workshop nog door, anderen verzorgen de laatste materialen, weer anderen richten de lokalen in en de studenten die in de praktische organisatie zitten maken lijstjes met dingen die nog moeten gebeuren. Mijn rol bestaat uit het verrichten van hele concrete handelingen: rolletjes plakband regelen bij de receptie, posters ophalen en op de deuren hangen, kopietjes maken, mijn kopieerkaart uitlenen, etc. Inhoudelijk heb ik niets bij te dragen, die inhoud ligt helemaal in handen van de studenten, lectoren en collega’s.


Da’s mooi, maar wel wennen en ik heb het er maar druk mee.
Om één uur is alles klaar: in de hal hangen borden met kleurrijke posters over de verschillende workshops, de bezoekers worden ontvangen en hun wordt uitgelegd hoe ze een keuze kunnen maken uit het aanbod van workshops en de gastsprekers zijn gearriveerd. Als ik de hal overzie, slaat me ineens de angst om het hart: wat als er nauwelijks iemand komt? De angst blijkt ongegrond: als ik even later de zaal in kijk, dan is deze redelijk gevuld met ico’s, mentoren, vaders en moeders, collega’s van de Marnix en enkele studenten van de ‘reguliere’ opleiding. Ondanks het mooie weer zijn er dus genoeg mensen nieuwsgierig geworden naar hoe je naar rekenen kunt talen en op taal kunt rekenen.
Na het welkomstwoord door Barbara de Kort, dompelt Ronald Keijzer* ons onder in de mogelijkheden om op verschillende manieren - de Grote Rekendag, rekenweb.nl/leraren, Volgens Bartjens, etc. - met rekenen eens goed buiten het boekje te gaan. Vervolgens koppelt Resi Damhuis** het belang van goede interactie aan het werk dat studenten in het R&D-atelier over taal hebben gedaan én aan rekenactiviteiten.
De workshops die volgen zijn zeer gevarieerd: studenten van de academische lerarenopleiding vertellen over hun groepsonderzoeken over aspecten van goed rekenonderwijs en over hun zoektocht naar wat goed taalonderwijs is, docenten laten voorbeelden zien van activiteiten voor de Grote Rekendag, een deskundige vertelt over mogelijkheden en moeilijkheden op het gebied van rekenen in de overstap van basisschool naar middelbare school en leerkrachten uit het basisonderwijs laten zien hoe zij samen met studenten en docenten op hun school onderzoeken en ervaren hoe coöperatief leren en rekenen te combineren zijn.
Ook hier moet ik wennen aan mijn rol: ik zorg dat ik bij elke workshop even kijk, ik neem foto’s en overleg met Stella van der Wal-Maris – de drijvende kracht achter het symposium – over het verloop. Alles loopt en de sfeer is goed.
Om vijf uur sluiten we af: met een drankje in de hand kijken we hoeveel studenten er in de promotieauto van de Marnix Academie kunnen. De schattingen vooraf lopen uiteen van zeven tot zestien. Na wat wurmen en aanduwen blijkt dat er elf academische studenten in een Fiat 500 kunnen en misschien was er nog wel ruimte voor een kleine twaalfde.
Ik kijk terug op een bruisende middag en heb bewondering voor allen die een workshop verzorgden.
Uiteraard kon dat alleen met hulp van allerlei collega’s. Dank daarvoor.
Martin Hunziker

* Dr. Ronald Keijzer is als lector ‘Rekenen-wiskunde in de basisschool en de opleiding’ verbonden aan de Hogeschool IPABO.
** Dr. Resi Damhuis is als lector ‘Interactie en taalbeleid in multiculturele scholen’ aan de Marnix Academie.



Workshop Tiny la Roy

 

 (2010-03-24)

We verzamelden in het computerlokaal voor een workschop van Tiny la Roi. Zij verwerkt voor de Stichting Lezen de gegevens uit het onderzoek waaraan wij hebben meegewerkt. Zij heeft de door ons verzamelde gegevens verwerkt en geeft ons inzicht in de eerste opbrengsten en de problemen. Voor mij, als docent, betekent dit dat de nietszeggende getallen die we aangeleverd hebben, wat meer gaan leven én het wordt me nog duidelijker dat het heel precies verwerken enorm belangrijk is: voor je het weet heeft een kleine misrekening gevolgen voor de betrouwbaarheid van de cijfers.

 Enkele gegevens (vrij willekeurig) en wetenswaardigheden:

  • We hebben tot nu toe 374 leerlingen ondervraagd waarvan de lijsten gebruikt zijn (in werkelijkheid waren het er veel meer, maar we hebben streng geselecteerd op fouten en foutjes in de vragenlijsten).
  • Het boek dat het meest genoemd wordt door de leerlingen is Dolfje Weerwolfje van Paul van Loon. De Donald Duck staat op de tweede plaats en de Hoe overleef ik-serie op de derde.
  • De context waarin de vragen gesteld zijn is belangrijk. Wij ondervroegen de leerlingen vlak voor Sinterklaas. Dat verklaart waarom in sommige groepen boeken over Sinterklaas veel genoemd zijn.
  • De vage begrippen als veel en weinig die op de vragenlijst gebruikt worden (wij vinden ze althans vaag en kinderen blijken ze ook wel lastig te vinden) hebben tot doel om inzicht te krijgen in de houding van kinderen ten opzichte van lezen. Ze zijn niet bedoeld om objectief vast te stellen hoeveel boeken kinderen lezen (als een kind zelf vindt dat het veel leest, dan zegt dat iets over zijn attitude). Dat is verhelderend.
  • Er zijn inderdaad verschillen tussen jongens en meisjes als het gaat om leesgedrag. Ook in onze onderzoeksgroep (uit een selecte steekproef) lezen meisjes meer en met meer plezier.
In haar verhaal verweeft Tiny allerlei statistische wetenswaardigheden en kennis. Sommigen van ons herinneren zich daardoor hun eigen kennis over statistiek weer, voor anderen is dit nieuw. Daarmee is deze workshop een mooie prelude op de masterclasses over statistiek en gegevensverwerking die de komende periode nog zullen volgen.
 
Martin Hunziker

 

Themaweek kunstzinnige oriëntatie

(2009-11-15)

stage_groep_7_2009_025_512Week 46 stond voor de studenten van de Academische Lerarenopleiding in het teken van kunstzinnige oriëntatie. Na drie dagen te zijn overspoeld met didactieken, tactieken en vaardigheden in vakken als muziek, beeldende vorming en drama was het op donderdag de beurt aan de studenten om in groepjes een kunstzinnige activiteit te bedenken en deze uit te voeren op een basisschool.Van zelfgeknutselde schoenen tot toneelstukjes op echte filmmuziek en van zelfgemaakte kleimaskers tot dramalessen waarin emoties centraal stonden, er was vanalles bedacht en georganiseerd.Op vrijdag volgde de afronding waarbij alle groepjes, met veel beeldmateriaal, een presentatie deden over hun activiteit. Het was een geslaagde week!   

Duel tussen docenten over meervoudige intelligentie

(2009-10-28)

Op 27 oktober j.l. duelleerden twee opleidingsdocenten van de Marnix Academie over de vraag of meervoudige intelligentie een zinvol concept is. 

 herald  ben

 

Herald Hofmeijer hield een gepassioneerd en goed onderbouwd betoog waarin hij de waarde van het onderscheiden van maar liefst acht verschillende soorten intelligentie verdedigde. Ben Hamerling toonde even gloedvol aan dat de wetenschappelijke onderbouwing van meervoudige intelligentie ontbreekt en dat er tal van alternatieven zijn om rekening te houden met verschillen tussen kinderen. De studenten van de academische lerarenopleiding gingen daarna met beide docenten in debat.   

 

Wetenschappers en journalisten over reken-wiskundeonderwijs

(2009-10-09)

"Gaan we terug naar de harde cijfers van de ouderwetse staartdeling, of blijven we realistisch schatten?" Op maandag 19 oktober gaat het in het KennisCafé "De Balie" over rekenonderwijs.Martijn van Calmthout gaat onder andere in gesprek met dr. Kees Buijs,leerplanontwikkelaar en onderzoeker van reken-wiskundeonderwijs werkzaam bij SLO:het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling te Enschede. Verder zullen er gasten zijn vanuit de realistische visie als vanuit de meer klassieke methode. Het KennisCafé is een initiatief van de Volkskrant, De Balie, KNAW en science centerNEMO. Elke derde maandag van de maand bespreken wetenschappers en journalisten live een actueel onderwerp. Toegang is gratis, maar er moet wel een kaartje worden gereserveerd. Het KennisCafé kun je ook via de live stream bekijken, zie www.debalie.nl/live. Zie voormeer informatie over het KennisCafé op 19 oktober over reken-wiskundeonderwijs http://www.debalie.nl/artikel.jsp?podiumid=politiek&articleid=325447.

 

Gastcolleges Sjef Teuns

sjefteuns1(2009-10-08)

De strijdbare kinderpsychiater Sjef Teuns bezocht de academische lerarenopleiding en verzorgde twee gastcolleges. Sjef Teuns behandelde de ontwikkeling van het kind vanaf de conceptie tot het vierde jaar.    Aanleiding voor het bezoek van Sjef Teuns is het verschijnen van zijn autobiografie met de titel 'Van wie zijn de kinderen?'  Spruit, I. (2009). Van wie zijn de kinderen? Valkhof Pers, Nijmegen.   

 

 

 

 

 

Enkele gegevens (vrij willekeurig) en wetenswaardigheden:
  • We hebben tot nu toe 374 leerlingen ondervraagd waarvan de lijsten gebruikt zijn (in werkelijkheid waren het er veel meer, maar we hebben streng geselecteerd op fouten en foutjes in de vragenlijsten).
  • Het boek dat het meest genoemd wordt door de leerlingen is Dolfje Weerwolfje van Paul van Loon. De Donald Duck staat op de tweede plaats en de Hoe overleef ik-serie op de derde.
  • De context waarin de vragen gesteld zijn is belangrijk. Wij ondervroegen de leerlingen vlak voor Sinterklaas. Dat verklaart waarom in sommige groepen boeken over Sinterklaas veel genoemd zijn.
  • De vage begrippen als veel en weinig die op de vragenlijst gebruikt worden (wij vinden ze althans vaag en kinderen blijken ze ook wel lastig te vinden) hebben tot doel om inzicht te krijgen in de houding van kinderen ten opzichte van lezen. Ze zijn niet bedoeld om objectief vast te stellen hoeveel boeken kinderen lezen (als een kind zelf vindt dat het veel leest, dan zegt dat iets over zijn attitude). Dat is verhelderend.
  • Er zijn inderdaad verschillen tussen jongens en meisjes als het gaat om leesgedrag. Ook in onze onderzoeksgroep (uit een selecte steekproef) lezen meisjes meer en met meer plezier.
In haar verhaal verweeft Tiny allerlei statistische wetenswaardigheden en kennis. Sommigen van ons herinneren zich daardoor hun eigen kennis over statistiek weer, voor anderen is dit nieuw. Daarmee is deze workshop een mooie prelude op de masterclasses over statistiek en gegevensverwerking die de komende periode nog zullen volgen.

 

  • We hebben tot nu toe 374 leerlingen ondervraagd waarvan de lijsten gebruikt zijn (in werkelijkheid waren het er veel meer, maar we hebben streng geselecteerd op fouten en foutjes in de vragenlijsten).
  • Het boek dat het meest genoemd wordt door de leerlingen is Dolfje Weerwolfje van Paul van Loon. De Donald Duck staat op de tweede plaats en de Hoe overleef ik-serie op de derde.
  • De context waarin de vragen gesteld zijn is belangrijk. Wij ondervroegen de leerlingen vlak voor Sinterklaas. Dat verklaart waarom in sommige groepen boeken over Sinterklaas veel genoemd zijn.
  • De vage begrippen als veel en weinig die op de vragenlijst gebruikt worden (wij vinden ze althans vaag en kinderen blijken ze ook wel lastig te vinden) hebben tot doel om inzicht te krijgen in de houding van kinderen ten opzichte van lezen. Ze zijn niet bedoeld om objectief vast te stellen hoeveel boeken kinderen lezen (als een kind zelf vindt dat het veel leest, dan zegt dat iets over zijn attitude). Dat is verhelderend.
  • Er zijn inderdaad verschillen tussen jongens en meisjes als het gaat om leesgedrag. Ook in onze onderzoeksgroep (uit een selecte steekproef) lezen meisjes meer en met meer plezier.
In haar verhaal verweeft Tiny allerlei statistische wetenswaardigheden en kennis. Sommigen van ons herinneren zich daardoor hun eigen kennis over statistiek weer, voor anderen is dit nieuw. Daarmee is deze workshop een mooie prelude op de masterclasses over statistiek en gegevensverwerking die de komende periode nog zullen volgen.

 

 

  • We hebben tot nu toe 374 leerlingen ondervraagd waarvan de lijsten gebruikt zijn (in werkelijkheid waren het er veel meer, maar we hebben streng geselecteerd op fouten en foutjes in de vragenlijsten).
  • Het boek dat het meest genoemd wordt door de leerlingen is Dolfje Weerwolfje van Paul van Loon. De Donald Duck staat op de tweede plaats en de Hoe overleef ik-serie op de derde.
  • De context waarin de vragen gesteld zijn is belangrijk. Wij ondervroegen de leerlingen vlak voor Sinterklaas. Dat verklaart waarom in sommige groepen boeken over Sinterklaas veel genoemd zijn.
  • De vage begrippen als veel en weinig die op de vragenlijst gebruikt worden (wij vinden ze althans vaag en kinderen blijken ze ook wel lastig te vinden) hebben tot doel om inzicht te krijgen in de houding van kinderen ten opzichte van lezen. Ze zijn niet bedoeld om objectief vast te stellen hoeveel boeken kinderen lezen (als een kind zelf vindt dat het veel leest, dan zegt dat iets over zijn attitude). Dat is verhelderend.
  • Er zijn inderdaad verschillen tussen jongens en meisjes als het gaat om leesgedrag. Ook in onze onderzoeksgroep (uit een selecte steekproef) lezen meisjes meer en met meer plezier.
In haar verhaal verweeft Tiny allerlei statistische wetenswaardigheden en kennis. Sommigen van ons herinneren zich daardoor hun eigen kennis over statistiek weer, voor anderen is dit nieuw. Daarmee is deze workshop een mooie prelude op de masterclasses over statistiek en gegevensverwerking die de komende periode nog zullen volgen.

 

   
Inloggen